Vrijwilligers en beroepskrachten: a match made in heaven/hell?

Een wijkcoach die haar cliënt voor de keus stelt: die vrijwilliger eruit of ik eruit: “Twee kapiteins op één schip, dat gaat niet”. Een budgetconsulent die in huilen uitbreekt nadat een vrijwilliger haar de wacht heeft aangezegd. Twee voorbeelden van hoe het mis kan gaan tussen vrijwilligers en beroepskrachten in de schuldhulpverlening. Verwachtingen over rol en taak van de vrijwilliger lopen nogal eens uiteen. Voor een vrijwilliger met veel expertise kunnen de financiële en juridische finesses van een ingewikkelde casus de krenten in de pap vormen, die zijn werk uitdagend houden. Tegelijkertijd wil de schuldhulpverlener soms alleen maar dat de benodigde documenten zo snel mogelijk worden aangeleverd, zodat de aanvraag verder kan.

In de beginjaren van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening hadden beroepskrachten en bestuurders de neiging vrijwilligers te zien als uitvoerders van lokaal sociaal beleid – en dus als een mogelijkheid om de schuldhulpverlening betaalbaar te houden. Het waren de jaren waarin gemeenten wettelijk verantwoordelijk werden voor een toegankelijk schuldhulpaanbod en tegelijk het beroep op de schuldhulp sterk toenam. Als je vrijwilligers beschouwt als onbezoldigde assistenten loop je echter de kans van een koude kermis thuis te komen.

Vrijwilligers werken vanuit een andere motivatie dan beroepskrachten. Ze willen iets bijdragen aan de samenleving, maar dat kan ook inhouden dat ze de belangen van hun cliënten behartigen tegenover instanties. Net als bij beroepskrachten moet het werk ook bijdragen aan hun persoonlijke ontplooiing. Alleen kan een vrijwilliger zijn job gemakkelijker vaarwel zeggen dan een betaalde kracht. Daarnaast is een vrijwilliger, zeker in de schuldhulpverlening, op bepaalde terreinen soms deskundiger dan de beroepskracht. Dat kun je als bedreiging zien – zie het citaat hierboven – maar je kunt het als beroepskracht ook in je voordeel benutten.

Dat brengt mij tot de volgende adviezen voor schuldhulpverleners.

  • Betrek de vrijwilliger zoveel mogelijk bij je aanpak, bijvoorbeeld door hem uit te nodigen bij gesprekken met je cliënt over de te ondernemen stappen. Alleen dan kun je ook van de vrijwilliger vragen dat hij zijn acties met jou afstemt;
  • Overleg met de vrijwilliger welke bijdrage hij kan en wil leveren. Sommige vrijwilligers zijn tevreden met alleen het ordenen van de administratie, voor anderen is dat geestdodend werk;
  • Zorg dat de vrijwilliger een aanspreekpunt heeft binnen jouw organisatie. Als hij alleen via de cliënt hoort waarom er bijvoorbeeld geen geld is voor nieuwe schoenen, is de kans op misverstanden groot. Je loopt dan het risico dat je een boze vrijwilliger aan de lijn krijgt die zich opwerpt als advocaat voor de cliënt;
  • Sommige vrijwilligers vinden het boeiend om juridische kwesties uit te zoeken en de rol van belangenbehartiger op zich te nemen. Schiet niet in de verdediging, maar beschouw zo’n vrijwilliger als luis in de pels, die jou en je organisatie scherp houdt.

Onderzoek dat ik samen met collega Peter Gramberg deed voor ZonMw, laat zien dat mensen met schulden over het algemeen zeer tevreden zijn over de ondersteuning door een vrijwilliger. Een vrijwilliger kan bijdragen aan de kwaliteit van de schuldhulpverlening, juist bij de meest kwetsbare hulpvragers. Voorwaarde is wel dat gemeenten en hulpverleningsorganisaties vrijwilligers niet enkel zien als onbetaalde hulpkrachten. Daar zou al in het formuleren van gemeentelijk beleid rekening mee gehouden moeten worden.

Ben Boksebeld
Docent bij de opleiding social work en onderzoeker bij het lectoraat social work van Saxion.

Contact: b.h.h.boksebeld@saxion.nl    

Foto door: Sylvia Huijsman/Clickflash                       

©2020-2021 Koepel Adviesraden Sociaal Domein | Disclaimer | Privacy verklaring | Sitemap

Secretariaat
Zalmsteek 23
3192 MC Hoogvliet-Rotterdam